Kruidenrijke bermen in Amersfoort
In de afgelopen jaren heeft Koninklijke Ginkel Groep talrijke vierkante meters gazon in parken en bermen omgevormd naar kleurrijke kruidenvegetaties voor bijen, vlinders en andere insecten in Gemeente Amersfoort. Strakke grasmatten veranderden in bonte bermen en kruidenrijke oases voor de biodiversiteit: een genot voor mens en dier!
Gemeente Amersfoort kiest bewust voor een lange termijnaanpak. Er is een mengsel van inheemse kruiden van Heem ingezaaid en er zijn bollen geplant van JUB Holland. Het zaadgoed is in Nederland gekweekt en past bij het landschap. Zo hebben de plekken als ze begroeid zijn de meeste kans op bezoek van bijen, vlinders en insecten. De bollen geven in het voorjaar niet alleen een fleurig beeld, maar ook nectar voor de vroegste zoemende bezoekers. Binnen enkele jaren ontstaat onder de vakkundige begeleiding van Koninklijke Ginkel Groep een stabiele vegetatie.
Maar wat is nou zo’n kruidenrijke berm en hoe weet je of de berm zich goed ontwikkelt? Natuurtechnisch adviseur Bram van Schaffelaar legt uit.
Wat is een goede bijen- en vlinderberm?
“In onze ogen is dat een berm met veel verschillende bloeiende soorten planten. En dan vooral inheemse soorten. Dat zijn plantsoorten die in Nederland in het wild voorkomen en hier dus thuishoren. Zo ontstaat een goed leefgebied voor met name insecten als vlinders, bijen, hommels, zweefvliegen en kevers.”
Wanneer is een goede bijen- en vlinderberm ‘volgroeid’?
“Volgroeid betekent eigenlijk dat de meeste ingezaaide soorten zich hebben gevestigd en een stabiel geheel vormen. Dit duurt over het algemeen 3 tot 5 jaar na het inzaaien. De begroeiing bevat veel verschillende soorten. Doordat er veel ‘overblijvende’ plantensoorten in de bermen te vinden zijn, komen ze jaar na jaar weer terug.”
Wat doen jullie bij aanleg?
“Het belangrijkste bij de aanleg is dat we een zaaibed maken. Daar maken de in te zaaien soorten een goeie kans om zich te ontwikkelen. Daarvoor voeren we eerst een bodemonderzoek uit. Zo brengen we in kaart welke kansen en/of gevaren de huidige bodem biedt. Door een aantal monsters te nemen krijgen we onder andere inzicht in beschikbaarheid van voeding en het vochtgehalte. Afhankelijk van wat daar precies uitkomt maken we een plan. Maar in de basis is zo min mogelijk verstoring in het aanlegproces gewenst. Dus niet frezen of verdichten van de bodem. Het afschrapen van de door grassen overheerste toplaag en licht bewerken van de grond is vaak het meest wenselijk.”
Hoe volgen jullie de ontwikkeling?
“Wij volgen de ontwikkeling op de voet door 3 keer per jaar een opname te doen van de aanwezige planten. Daardoor zien we welke soorten zich ontwikkelen: uit het mengsel of spontaan en in welke hoeveelheden. Daarvan maken we een soortenlijst. We houden de ontwikkelingen en onze waarnemingen bij in een zogenaamd monitoringslogboek. Dat logboek kan specifieke ecologische informatie koppelen aan die waarnemingen. Zo hebben we nauwkeurig inzicht hoe de beplanting zich ontwikkelt naar een bloemrijk grasland. Dit vermelden we allemaal in de jaarrapportages die we aan het einde van het groeiseizoen delen met de gemeente.”
Hoe sturen jullie bij?
“Uit de monitoring kan komen dat bepaalde ongewenste soorten zich hebben gevestigd. Dit kunnen bijvoorbeeld invasieve exoten zijn: plantensoorten die niet in Nederland thuishoren en door de mens hier naartoe zijn gehaald. Ze hebben zich weten te vestigen in de natuur en woekeren extreem. Deze soorten bedreigen de diversiteit van de bermen en verwijderen we daarom handmatig. Maar ook Nederlandse soorten zoals riet of ridderzuring kunnen dat en bestrijden we ook. Afhankelijk van de ontwikkeling kunnen we ook gaan variëren in maaimomenten of we kunnen bepaalde soorten gaan bij zaaien. Als blijkt dat er bepaalde voedingsstoffen te veel of juist te weinig aanwezig lijken te zijn, kunnen we daar soms ook wat aan bijsturen.”